Begripsbepalingen

 

In artikel 1.1 van het pensioenreglement ABP en vanaf 2018 als Bijlage 2 zijn ongeveer 26 begripsbepalingen opgenomen. Daarin ontbreken belangrijke begrippen. Daarom volgt hieronder een zo volledig mogelijke lijst van ca. 70 begrippen, die juridisch verankerd zijn in wet- en regelgeving. Zodat u beter begrijpt wat uw plichten en rechten zijn in het pensioenreglement.

  1. Aanspraken op ouderdomspensioen: het nog niet-ingegaan recht op een geldelijk vastgesteld, periodiek uit te keren ouderdomspensioen;
  2. Aanspraken op flexibel pensioen: het nog niet-ingegaan recht op een geldelijk vastgesteld, periodiek uit te keren, tijdelijk ouderdomspensioen voorafgaande aan de leeftijd van 65 jaar;
  3. Aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;
  4. Afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken en pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen, behoudens in geval van toepassing van artikel 134 van de Pensioenwet of artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht (Wft);
  5. Arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);
  6. Arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer of gewezen werknemer;
  7. ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP;
  8. ABTN: de actuariële en bedrijfstechnische nota zoals bedoeld in artikel 145 Pensioenwet;
  9. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die luidde op 31 december 1995;
  10. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde op 31 mei 2001;
  11. Anw: de Algemene nabestaandenwet;
  12. AOW: de Algemene ouderdomswet;
  13. AOW gehuwden: de uitkering voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en zesde lid van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag;
  14. AOW-leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet;
  15. Arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in hoofdstuk 1 van de WIA;
  16. Arbeidsongeschiktheidsuitkering: arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 van de WIA;
  17. ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen: pensioenuitkering voor deelnemer die arbeidsongeschikt is in de dienstverhouding waarin hij deelnemer is of was;
  18. Dagloon: het dagloon dat niet is gemaximeerd op grond van artikel 17, eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het dagloon wordt voor de toepassing in het ABP- reglement op jaarbasis vastgesteld;
  19. Deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die pensioenaanspraken heeft jegens ABP;
  20. Dienstbetrekking: de rechtsbetrekking tussen werkgever – en werknemer;
  21. Dienstverhouding: een publiekrechtelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;
  22. FPU-reglement: het FPU-reglement basisuitkering en aanvullende uitkering zoals dat gold op 31 december 2015;
  23. Franchise: salarisdeel waarover geen pensioen wordt opgebouwd;
  24. Gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het recht op ouderdomspensioen is ingegaan ten laste van ABP;
  25. Gewezen deelnemer: degene van wie de deelneming is geëindigd, anders dan door ingang van flexibel pensioen, ouderdomspensioen of overlijden en aanspraken heeft op pensioen ten laste van ABP;
  26. Invaliditeitspensioen: aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk II WAO van het pensioenreglement;
  27. Jaar: een kalenderjaar, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;
  28. Loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering: de loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering van de WGA-uitkering, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA;
  29. Minimumloon: het minimumloon bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;
  30. Maximum dagloon: het door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het maximum dagloon wordt voor de toepassing in dit reglement op jaarbasis vastgesteld;
  31. Levenslooploon: loon tijdens levensloopverlof als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de Loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2011;
  32. Levensloopverlof: verlof als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de Loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 2011;
  33. Nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;
  34. Netto-pensioen: Voor het inkomen boven € 100.000 (per 2015) kunnen werknemers vrijwillig via een netto-pensioenregeling (in de tweede pijler) bijsparen, waarbij de premie-inleg (betaald uit het nettoloon) en het rendement zijn vrijgesteld van vermogensrendementsheffing (box III). De nettopensioenuitkering is onbelast;
  35. Ouderdomspensioen: een geldelijke periodieke uitkering, die vastgesteld of variabel is, voor de werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom;
  36. Overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten, van een ander pensioenfonds naar ABP;
  37. Partnerpensioen: een geldelijke uitkering, die vastgesteld of variabel is, voor de echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
  38. Partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van de pensioenovereenkomst;
  39. Partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
  40. Pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen,zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen;
  41. Pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
  42. Pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van het pensioenreglement het pensioen is ingegaan;
  43. Pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd van 65 jaar tot 1 januari 2016, vanaf 1 januari 2016 de AOW-leeftijd; de Wet Privatisering ABP bepaalt de pensioengerechtigde leeftijd;
  44. Pensioenleeftijd: de leeftijd van 65 jaar tot 1 januari 2016, vanaf 1 januari 2016 de AOW-leeftijd;
  45. Pensioengevend inkomen: alle inkomensbestanddelen in geld die een werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking van zijn werkgever ontvangt; ABP gaat uit van het vaste salaris en de vaste toelagen op de peildatum 1 januari;
  46. Pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen;
  47. Pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
  48. Pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder ABP opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer;
  49. Pensioenregeling: een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst;
  50. Pensioenuitvoerder: stichting pensioenfonds ABP is een bedrijfstakpensioenfonds voor overheidswerknemers en onderwijzend personeel;
  51. Pensioenpremie: een percentage van de premiegrondslag;
  52. Pensioenrekenleeftijd: de leeftijd waarop de pensioenopbouw is gebaseerd, staat los van de werkelijke ingangsdatum van het ouderdomspensioen, de zogenoemde pensioengerechtigde leeftijd;
  53. Pensioenrichtleeftijd: de leeftijd waarop de pensioenopbouw wordt gericht volgens de fiscale wegeving. Tot 1 januari 2014 was de pensioenopbouw gericht op een leeftijd van 65 jaar, vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2018 was de pensioenopbouw gericht op een leeftijd van 67 jaar en vanaf 1 januari 2018 is de pensioenopbouw gericht op een leeftijd van 68 jaar;
  54. Pensioenverplichtingen: verplichtingen van de pensioenuitvoerder ABP uit hoofde van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
  55. Pensioengeldige tijd: Pensioengeldige tijd is totale periode die is doorgebracht als deelnemer van het ABP, bij deeltijd wordt de deeltijdfactor toegepast. Pensioengeldige tijd is tevens de tijd die ABP bij waarde-overname van andere pensioenen heeft toegekend;
  56. Premiegrondslag:  het pensioengevend inkomen verminderd met de franchise;
  57. Prepensioen: pensioenaanspraken die tot doel hebben een pensioenuitkering te bieden in de periode voorafgaand aan de leeftijd van 65 jaar;
  58. Premievrije waarde: Op uitkeringsbasis: stopzetting van de betaling van de premie, terwijl de aanspraken op (flexibel) pensioen niet zijn vervallen. Op risicobasis bestaat geen premievrije waarde;
  59. Premievrije waarde van prepensioen of flexibel pensioen: premievrije, geldelijk vastgestelde pensioenaanspraken die tot doel hebben een periodieke pensioenuitkering te bieden in de periode voorafgaand aan de leeftijd van 65 jaar;
  60. PSW: de Pensioen- en Spaarfondsenwet, per 1 januari 2007 vervangen door de Pensioenwet;
  61. PW: de Pensioenwet;
  62. Scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
  63. Voor-Oortse AOW-toeslag: de AOW-toeslag vastgesteld voor de inwerkingtreding van de Oortwetgeving per 1 januari 1990;
  64. VPL-inhaalpensioen: voorwaardelijke inkoop van pensioen voor de jaren als deelnemer van het ABP  tot 1 januari 2006, inbegrepen de pensioenjaren verkregen door waardeoverdracht naar het ABP; de voorwaarden zijn opgenomen in Overgangsbepaling D bij artikel 7.5 van het pensioenreglement;
  65. Waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder;
  66. Werkgeverspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werkgever;
  67. Werknemerspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van de werknemer;
  68. Wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een kind tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
  69. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA;
  70. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
  71. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
  72. WPA: de Wet privatisering ABP.

Bronnen: ABP pensioenreglementen, Pensioenwet, Wet Privatisering ABP en de wetsgeschiedenis, Besluit Pensioentoezegging, Wet verplichte beroepspensioenregeling, Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004, De Nederlandse Bank, Pensioenfederatie.