De positie van pensioenfonds ABP

Het pensioenfonds ABP is als private stichting een bedrijfstakpensioenfonds,  met een groot publieksbelang. De  ABP-pensioenregeling is (grond)wettelijk verankerd in de Wet Privatisering ABP van 21 december 1995. Uit het samenstel van bepalingen van artikel 109 van de Grondwet en artikel 125 van de Ambtenarenwet volgt dat de rechtspositie van ambtenaren (overheidswerknemers) in wetgeving in materiële zin moet zijn verankerd.

De pensioenregeling van het ABP is op grond van artikel 4 lid 1 van de Wet Privatisering ABP een tussen sociale partners gesloten overeenkomst naar burgerlijk recht, die bindend is voor overheidswerkgevers en overheidswerknemers. In artikel 2, tweede lid, eerste volzin en onder b, van de Pensioenwet wordt de rechtsbetrekking tussen een overheidswerkgever en overheidswerknemer bepaald door de overeenkomst als bedoeld in artikel 4 en 5 van de Wet Privatisering ABP en gelijkgesteld met een pensioenovereenkomst.  De regering blijft als grootste werkgever van de overheidswerknemers op grond van deze wet de kaders bepalen waarbinnen het pensioen voor overheidswerknemers zich ontwikkelt. In het pensioenoverleg tussen werkgevers en werknemers vertegenwoordigen de overheidswerkgevers de minister.

Het pensioenfonds ABP is het enige pensioenfonds van de circa 220 pensioenfondsen in Nederland, dat met naam wordt genoemd in de Pensioenwet (artikel 2, tweede lid, eerste volzin en onder b, van de Pensioenwet).

Met 2,9  miljoen deelnemers en gepensioneerden en een wereldwijd belegd vermogen van 409 miljard euro in 2017 behoort ABP tot de top 3 van de grootste pensioenfondsen ter wereld. Kortom, een pensioenfonds met een aanmerkelijk publieksbelang waarmee ook een aanmerkelijk overheidsbelang is gemoeid. Het publieke belang  of algemeen belang is erin gelegen dat het opbouwen van pensioen fiscaal gefaciliteerd wordt, daardoor vloeit er minder belastinggeld naar de schatkist,  de hele samenleving betaalt er aan mee. Het is evident dat het pensioenfonds ABP als instituut moet voldoen aan de hoogste eisen van integriteit, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en transparantie,  om mogelijke schendingen van het publieke  en overheidsvertrouwen te voorkomen.

De druk die bij ABP aanwezig zou moeten zijn om dit publieke vertrouwen te bewaken, is vrijwel nihil.  Dit  wordt veroorzaakt door de verplichte deelneming. De deelnemers worden immers bij indiensttreding eenzijdig contractueel  gedwongen deelnemer te worden van het ABP, dragen daarvoor gedwongen hoge premies af (tussen de 20 en 25 procent van het pensioengevend inkomen) voor een eenzijdig opgestelde pensioenregeling waarover zij zelf geen zeggenschap hebben. En dat bovendien zo maar eenzijdig gewijzigd kan worden, zonder dat de deelnemer daarvoor iets te zeggen heeft.

Opmerkelijk in dit verband is het gegeven dat de wetgever nota bene artikel 48, eerste lid van de Pensioenwet moest wijzigen om de pensioenuitvoerder te dwingen betrouwbare informatie te verstrekken (‘De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is correct, duidelijk en evenwichtig’). Je zou mogen verwachten dat ABP dat uit zichzelf doet maar daarvan is geen sprake. ABP heeft als financiële instelling immers geen concurrenten, zoals bij banken wel het geval is.

Mogelijk dat het nieuwe pensioenstelsel met persoonlijke pensioenpotten en volledige keuzevrijheid voor de deelnemers, daarin verandering kan brengen.

In bestuurlijk opzicht functioneert ABP volgens  het paritaire bestuursmodel, het bestuur bestaat uit werkgevers en werknemers. Per 1 maart 2008 heeft ABP een scheiding aangebracht tussen het fonds en de uitvoeringsorganisatie. Door deze scheiding is ABP geen zelfadministrerend fonds meer. Het fonds is de naam ABP blijven dragen, de uitvoeringsorganisatie heeft echter een nieuwe naam, Algemene Pensioen Groep NV (APG). Stichting Pensioenfonds ABP is – via APG Groep NV – 100 procent aandeelhouder van APG Algemene Pensioen Groep NV, statutair gevestigd te Heerlen. APG is bevoegd namens ABP beslissingen te nemen.

Bevoegdheden bestuur ABP

Het bestuur van ABP heeft op grond van wettelijke, statutaire en reglementaire bepalingen geen zelfstandige bevoegdheid of mandaat om op eigen gezag het pensioenreglement te wijzigen, uitgezonderd in situaties die benoemd zijn artikel 134 Pensioenwet. Uit artikel 13 van de statuten blijkt dat ABP alleen de door sociale partners vastgestelde wijzigingen mag verwerken in het pensioenreglement en geen zelfstandige bevoegdheid tot wijzigingen is toegekend.

ABP treedt uitsluitend op als uitvoerder van het pensioenreglement en mag uitsluitend correcties in het pensioenreglement aanbrengen, voor zover het wijzigingen betreft die door een meerderheid van werkgevers en werknemers in het georganiseerd overleg zijn vastgesteld. Dit volgt uit artikel 2 in samenhang met artikel 4, derde lid, van de Wet Privatisering ABP (…’uitsluitend een meerderheid van de centrales van overheidspersoneel die in de Centrale Commissie  vertegenwoordigd zijn, bevoegd tot het wijzigen of vervangen van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst’) in samenhang met artikel 13 van de statuten en artikel 18.6 van het pensioenreglement: ‘ABP kan het reglement wijzigen. De wijzigingen zijn in overeenstemming met artikel 13 van de statuten, waarbij regels zijn gegeven met betrekking tot het wijzigen van het reglement.’

Op grond van de Wet Privatisering ABP vertegenwoordigen de overheidswerkgevers (de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid VSO), de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het pensioenoverleg. In het kader van de besprekingen over de privatisering van het ABP is nader afgesproken dat, wanneer die privatisering eenmaal is gerealiseerd, de gezamenlijke sectorwerkgevers in de plaats zullen treden van de minister. Dit laatste houdt in dat wijzigingen of vervanging van de met de minister gesloten pensioenovereenkomst kunnen worden overeengekomen door de sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel. Omdat er meerdere centrales van overheidspersoneel en sectorwerkgevers zijn, is bepaald dat een meerderheid de pensioenovereenkomst kan sluiten. Deze dwingende bepalingen uit de Wet Privatisering ABP laten niet toe dat de bevoegdheid tot het wijzigen van het pensioenreglement wordt overgedragen aan het ABP.

Geen zeggenschap over VPL-miljoenen

Overigens heeft het bestuur van ABP ook geen zeggenschap over de ingelegde premies ten behoeve van het VPL-inhaalpensioen. ABP is slechts als nevenactiviteit het beheer over de VPL-gelden toevertrouwd. Dat heeft toezichthouder De Nederlandse Bank (DNB) bepaald die verder bepaalde dat de VPL-reserve, die  in 2016 €  1,4 miljard omvat (inbegrepen de vordering van € 754 miljoen die werkgevers nog moeten afdragen aan ABP, zie jaarrekening 2016) geen eigendom is van ABP en ook niet toegevoegd mag worden aan de algemene reserve.