Overzetten pensioenrechten naar nieuw pensioencontract

Auteurs:

Prof. dr. H. van Meerten, hoogleraar pensioenrecht en advocaat
Mr. A.L. Faber LL.M., advocaat Wiggers Faber AdvocatenBelastingkundigen

 

Het pensioenakkoord lijkt een feit. Nu het (verplicht) invaren nog

Het pensioenakkoord lijkt inmiddels een feit. Afgelopen week werd wederom een ‘historisch’ akkoord gesloten. Dit akkoord bevat nog steeds veel losse eindjes. Een daarvan betreft het zogenaamde ‘invaren’: de directe omzetting van bestaande pensioenaanspraken naar het nieuwe pensioencontract. Of dat invaren de juridische toets kan doorstaan houdt de gemoederen al geruime tijd bezig, en dat zal vermoedelijk voorlopig ook wel zo blijven. 

Zo betoogde professor Erik Lutjens onlangs onder verwijzing naar het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, dat het verminderen van pensioenaanspraken binnen het algemeen belang tot de mogelijkheden behoort, mits het individu daardoor niet onevenredig zwaar wordt belast. 

Dat is maar zeer de vraag. Onder het Europese recht zijn er namelijk twee Verdragen van belang. Het EVRM en het EU Handvest van de grondrechten. 

EVRM vs Handvest

Een vage norm als ‘het algemeen belang’ is voor velerlei interpretaties vatbaar. Vermoedelijk zal dat echter niet het probleem zijn, aangezien het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) al snel een beroep op het algemeen belang accepteert. Dit EHRM te Straatsburg, behorend bij het EVRM, is een ander Europees Hof dan het EU Hof in Luxemburg. 

De terughoudendheid van het EHRM is kenmerkend: zolang de maatregel wanordelijkheden voorkomt en de openbare of nationale veiligheid, de gezondheid, de goede zeden en de rechten en vrijheden van anderen beschermt, wordt wat het EHRM betreft het algemeen belang gediend. Gelet op deze ruime formulering zal dat bij nagenoeg elke maatregel wel het geval zijn. 

Onder vigeur van het gelijknamige grondrecht in het Handvest, dat vaak ten onrechte in één adem wordt genoemd met het EVRM, zou dat wel eens anders kunnen of zelfs moeten zijn. Weliswaar bepaalt het EU Handvest dat, voor zover de daarin opgenomen grondrechten corresponderen met die van het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn. Dat verhindert niet het recht van de EU een ruimere bescherming te bieden, aldus het Handvest. Oftewel, het EVRM is slechts de minimale bescherming die aan de EU-burgers moet worden geboden. 

Bovendien, dat uit de toelichting bij het Handvest volgt dat (tekstueel) geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van EVRM, zegt niets over de uitleg en toepassing van het eigendomsrecht. Het EVRM kent weliswaar een grote beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) toe aan de respectieve overheden. 

De meeste EVRM landen zijn echter tevens lidstaat van de EU, die de nodige soevereiniteit, en daarmee een deel van die ‘wide margin’, hebben afgestaan aan de EU. Daaronder ten aanzien van pensioenen. Het is dus nog maar de vraag of de ‘wide margin’ ook zo wijd is onder het Handvest. Temeer de EU dus een ruimere bescherming voor haar burgers mag bieden. 

Steun voor bovenstaande wordt niet alleen gevonden in Europese richtlijnen, maar ook in de recente conclusie van Advocaat-Generaal Kokott, de hoogste adviseur van het EU Hof. Daarin schrijft zij dat een beperking van het eigendomsrecht, daaronder van reeds verworven (pensioen)rechten, alleen mogelijk is met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Namelijk voor zover deze noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de EU erkende doelstellingen van algemeen belang. Deze toets wijkt duidelijk af van die van het EVRM.

Conclusie

De vraag of (verplicht) invaren juridisch houdbaar is, is dus nog zeker geen gelopen race. Dat zal afhangen van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan dat invaren. In het pensioenakkoord is weliswaar opgenomen dat van het uitgangspunt (invaren) gemotiveerd kan worden afgeweken, indien dit leidt tot onvoldoende evenwichtige uitkomsten voor (pensioen)deelnemers. Maar of daarvan sprake is hangt af van de betreffende pensioenregeling: de ene pensioenregeling is immers de andere niet. Bovendien biedt deze bepaling mogelijkheden voor discussie over de vraag wanneer sprake is van “onvoldoende evenwichtige uitkomsten”. Oftewel, de vraag of het algemeen belang niet beter gediend is met een harde scheiding van systemen, lijkt zeer gerechtvaardigd.

Hans van Meerten
Andrea Faber