Het VPL-inhaalpensioen ter compensatie van verlies FPU

De voorwaarden voor het recht op VPL-pensioen zijn opgenomen in Overgangsbepaling D bij artikel 7.5 van het pensioenreglement. Vanaf 1 oktober 2018 zijn de overgangsbepalingen in het reglement omgenummerd. Gemakshalve houden wij vast aan de bepalingen in het reglement van 2016. Onder aan deze pagina zijn alle bepalingen in één pdf-document samengevoegd, die kunt u openen. Deelnemers, geboren na 1950 die al vóór 2006 aangesloten waren bij ABP en dat nog steeds zijn, moeten dit artikel goed lezen. Het VPL-inhaalpensioen (officieel: inkoop voorwaardelijk pensioen) is bedoeld om deze deelnemers, geboren in of na 1950, te compenseren omdat zij jarenlang FPU-premies hebben betaald maar zelf geen gebruik meer van kunnen maken van deze regeling. Zij moeten wel de toegekende FPU-uitkeringen aan de oudere generatie uit  solidariteit meefinancieren. 

De FPU-regeling (Flexibel Pensioen en Uittreden) is per 1 januari 2006 opgeheven. Deelnemers die vóór 1 januari 2006 deelnemer waren van het ABP en die op 1 januari 2006 geen recht meer hadden op FPU  behoren tot de doelgroep. In 2015 heeft ABP de laatste FPU-uitkering toegekend.  Deze informatie is ook van toepassing op deelnemers die geboren zijn vóór 1950, maar later dan 1 april 1997 deelnemer werden bij ABP. Deze groep is inmiddels gepensioneerd maar hun (eventuele) recht op VPL-inhaalpensioen gaat niet verloren. 

Deze twee groepen deelnemers zijn de doelgroepen die met VPL-inhaalpensioen worden gecompenseerd voor hun verlies aan FPU-rechten. Per 1 januari 2023, of eerder bij pensionering, krijgen zij recht op het VPL-inhaalpensioen. VPL-pensioen is nu nog een zogenoemde voorwaardelijke arbeidsvoorwaarde (geen recht), die pas de status van pensioen krijgt indien de financiering daarvan in 2023 is voltooid, of eerder bij pensionering. Werknemers (tot 1 januari 2014) en werkgevers betalen de VPL-premie. Van de VPL-premie is tevens een deel bestemd voor (solidariteit) financiering van de toegekende FPU-uitkeringen.

Voorwaarden toekennen VPL-pensioen:

  • geboren in 1950 of daarna
  • geboren vóór 1950 maar geen deelnemer vanaf 1 april 1997
  • deelnemer vanaf 1 april 1997 of eerder, van wie ABP de premievrije aanspraken op periodieke uitkering flexibel pensioen heeft vastgesteld
  • op 31 december 2005 deelnemer van ABP
  • op 1 januari 2006 deelnemer van ABP
  • dienstjaren voor 2006
  • tot 1 januari 2023 onafgebroken deelnemer van ABP of eerder bij reglementaire pensionering
  • financiering kosten VPL-pensioen

Met ingang van 1 januari 2006 werd de wet VPL van kracht waardoor de regeling FPU kwam te vervallen voor deze deelnemers. Een groep van deze deelnemers hebben vaak tot 1 januari 2006 jarenlang forse premies betaald voor FPU, maar kunnen er zelf geen gebruik meer van maken.  Om de ABP-regelingen aan te passen aan de nieuwe wetgeving VPL en ter compensatie voor het verlies van deze FPU-rechten hebben de sociale partners  daarover een akkoord gesloten, het zogenoemde Hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving.

De FPU bestond uit drie uitkeringen

  1. aanspraken op een periodieke uitkering van het basisdeel flexibel pensioen (vervangt AOW, voorwaarde: 10 jaar onafgebroken deelnemer bij ABP)
  2. aanspraken op een periodieke uitkering van het opbouwdeel flexibel pensioen (dezelfde opbouw als ouderdomspensioen)
  3. aanspraken op een periodieke uitkering van het Vut-fonds (aanvulling van uitkeringen 1 en 2 tot 70% van laatstverdiende loon; voorwaarde onafgebroken deelnemer vóór 1 april 1997)

Tot 1 januari 2006 werd het flexibel pensioen opbouwdeel op dezelfde wijze opgebouwd als ouderdomspensioen: pensioengevend inkomen minus franchise x 1.75%. Het opbouwdeel van het flexibel pensioen bestond uit de werkgevers- en werknemerspremie, in de verhouding 2/3 deel van de totale premie voor de werkgevers, 1/3 deel van de premie voor de werknemers. Daarmee werd in feite een dubbel ouderdomspensioen opgebouwd: het reguliere ouderdomspensioen plus het flexibel pensioen.

Het ouderdomspensioen wordt echter levenslang uitgekeerd, het flexibel pensioen gedurende slechts drie jaar (tussen het 62ste en 65ste levensjaar). Daarom kon de flexibel pensioenuitkering ook hoog zijn:  in plaats van een uitkering gedurende 18 jaar (gemiddelde levensverwachting in 2006) werd de uitkering nu in drie jaar uitgekeerd. Omgekeerd geldt hetzelfde. Deelnemers met door ABP vastgestelde premievrije aanspraken op flexibel pensioen, die bleven doorwerken tot hun 65ste jaar, zagen de waarde van hun flexibel pensioen met de factor 0,186 (in 2016) omgezet worden naar ouderdomspensioen: van een driejarige flexibele pensioenuitkering naar een levenslange ouderdomsuitkering.  Eén euro flexibel pensioen levert iets meer op dan 18,5 cent ouderdomspensioen (in 2016).

Voorbeeld

Indien volgens de ABP-opgave het premievrije, periodiek uit te keren  flexibel pensioen als voorbeeld jaarlijks € 15.486 bedraagt, maar deze periodieke uitkeringen wordt niet opgenomen omdat de deelnemer blijft doorwerken tot 65 jaar, dan wordt het ouderdomspensioen levenslang verhoogd met  € 15.486 x 0,186 (de ruilvoet in 2016) = €  2.880 en het partnerpensioen (pp is np = nabestaandenpensioen) met € 2.016 (70% van € 2.880). Zie in dit voorbeeld bijlage A van het pensioenreglement 2016 (pagina 113).

Ruilvoet omzetten aanspraken periodieke uitkering flexibel pensioen naar ouderdomspensioen

20182017201620152014201320122011201020092008
0,1670,1690,1860,1870,1940,1900,1970,2100,2100,2100,210
+ verhoging NP
met 70% x verhoging
+ verhoging NP
met 70% x verhoging
+ verhoging NP
met 70% x verhoging
+ verhoging NP
met 50% x verhoging
+ verhoging NP
met 5/14 x verhoging
+ verhoging NP
met 5/14 x verhoging
geen verhoging
NP
geen verhoging
NP
geen verhoging
NP
geen verhoging
NP
geen verhoging
NP

Door het vervallen van de FPU-regeling was ABP wettelijk verplicht om per deelnemer de premievrije aanspraken op flexibel pensioen per 1 januari 2006 vast te stellen en de deelnemer daarover per brief te informeren. Alleen deelnemers die vanaf 1 april 1997 of daarvoor al deelnemer waren van het ABP, bleven hun (premievrije) aanspraken op flexibel pensioen behouden. Dat wil zeggen, zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel van de opbouw bleef behouden.  Zij kunnen alsnog het flexibel pensioen laten uitkeren tussen hun 62ste en 65ste levensjaar, maar dan zonder een aanvullende uitkering uit het Vut-fonds die het flexibel pensioen aanvulde tot 70 % van het loon.

Deze deelnemers hebben vóór 1 januari 2007 van het ABP een schriftelijke opgave ontvangen van hun premievrije aanspraken op flexibel pensioen per 1 januari 2006. Voor deelnemers die hun aanspraken op flexibel pensioen voor hun 65ste jaar niet hebben gebruikt, of slechts voor een deel hebben opgenomen omdat zij bleven doorwerken, worden de aanspraken op flexibel pensioen omgezet in een levenslang uit te keren ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen. Dat omzetten gebeurt met een ruilvoet die is opgenomen in bijlage A van het pensioenreglement, zie tabel hierboven.

Deze groep heeft wel recht op VPL-inhaalpensioen, maar de hoogte daarvan zal vrijwel altijd nul euro zijn. De aanspraken op flexibel pensioen, die zijn of worden omgezet in ouderdomspensioen, is namelijk hoger dan de hoogte van het berekende VPL-inhaalpensioen. Deze groep bleef de basisuitkering van het flexibel behouden plus het opbouwdeel.Het omzetten van dit flexibel pensioen (basisdeel + opbouwdeel) naar ouderdomspensioen gebeurt in het jaar van pensionering. Daarom wordt de ruilvoet van het jaar van pensionering toegepast. Gemiddeld bedraagt het VPL-pensioen ongeveer €  950 per jaar (in 2017). De naar OP en NP (ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen) omgezette aanspraken op flexibel pensioen zijn  doorgaans hoger dan het berekende VPL-pensioen. Omdat deze naar OP/NP omgezette aanspraken op flexibel pensioen moeten worden gekort op het berekende VPL-pensioen, is het VPL-pensioen voor deelnemers met vastgestelde aanspraken op flexibel pensioen,  altijd nul euro. Zij ontvangen dus geen VPL-pensioen.

Groep met vaste ruilvoet van 0,226

Dat ligt anders met deelnemers die niet vanaf 1 april 1997 of daarvoor deelnemer waren van het ABP maar wel jarenlang FPU-premies hebben betaald. Zij raakten  vrijwel alles kwijt, ook de basisuitkering flexibel pensioen. Het eigen opbouwdeel van flexibel pensioen bleef behouden, de aanspraken op het basisdeel flexibel pensioen en de aanvullende uitkering uit het Vut-fonds kwamen te vervallen. Deze deelnemers hebben van het ABP geen bericht ontvangen waarin hun premievrije aanspraken op flexibel pensioen per 1 januari 2006 zijn vastgesteld. Zij hadden dus geen rechten meer op een periodieke uitkering  voor  hun 65ste jaar uit het flexibel pensioen. Slechts het eigen opbouwdeel van het flexibel pensioen (dus niet het basisdeel) dat zij hadden opgebouwd tot 2006 bleef behouden. Dit bedrag, de eigen opbouw dus, heeft ABP per 1 januari 2007 voor een kleine groep deelnemers met de vaste ruilvoet van 0,226 collectief omgezet naar ouderdomspensioen.  Dit bedrag, het eigen opbouwdeel van het flexibel pensioen is geen aanspraak op flexibel pensioen! Het begrip ‘aanspraak op flexibel pensioen’ is een juridische term en betekent: het recht op een nog niet ingegaan, periodiek uit te keren in geld vastgesteld pensioen voorafgaande aan de leeftijd van 65 jaar.’ De wetgever noemt dit een ‘constitutieve voorwaarde’.

Het is duidelijk dat voor deze deelnemers, die niet vanaf 1 april 1997 bij het ABP waren aangesloten en alleen hun eigen opbouwdeel van het flexibel pensioen mochten behouden, dit eigen opbouwdeel niet voldoet aan de constitutieve voorwaarde dat er sprake is van ‘een recht op een geldelijk vastgestelde, nog niet ingegaan periodieke uitkering voorafgaande aan de leeftijd van 65 jaar.‘ Daarom hoeft dit eigen opbouwdeel, dat door ABP op 1 januari 2007 collectief met de ruilfactor 0,226 werd omgezet naar een levenslang ouderdomspensioen, niet gekort mag worden op het berekende VPL-inhaalpensioen. Overgangsbepaling D bij artikel 7.5 verwijst naar hoofdstuk 6, overgangsbepaling A en die verwijst weer naar de ruilvoet in Bijlage A van het pensioenreglement. Dit zijn jaarlijks variabele ruilvoeten. Die stemmen niet overeen met de vaste ruilvoet van 0,226 die op deze groep is toegepast. Voor deze deelnemers is ter compensatie voor dit verlies aan rechten het zogenoemde VPL-inhaalpensioen ingesteld. Dit VPL-pensioen is geen cadeautje van het ABP, want u betaalde zelf de premie daarvoor, de zogenoemde VPL-premie. Die werd van 1 januari 2006 tot 1 januari 2014 zowel door werkgevers als werknemers betaald. Vanaf 1 januari  2014 betalen alleen de werkgevers nog VPL-premie. In onderstaande tabel zijn de hoofdlijnen van het VPL-pensioen nog eens samengevat.

deelnemerFPU OvergangsrechtOmzetting flexibel pensioen naar ouderdomspensioen bij doorwerken tot 65behoud basisdeel flexibel pensioenbehoud opbouwdeel flexibel pensioenruilvoet omzetting flexibel pensioen naar ouderdomspensioenomzetting naar nabestaandenpensioen vanaf het jaar 2013Bonus van
€ 6.500 bij doorwerken tot 65
Geboren vóór 1950jabij pensionering individuele omzetting basisdeel + opbouwdeel flexibel pensioenja, mits deelnemer vanaf tenminste 1 april 1997javerschilt van jaar tot jaar, conform hoofdstuk 6 PR in het jaar van pensionering. In 2016 ruilvoet 0,186ja, mits deelnemer vanaf tenminste 1 april 1997. 70% van verhoging gaat naar nabestaandenpensioen, vanaf 2013ja
Geboren vanaf 1950neeop 1 januari 2007, éénmalige collectieve omzetting van alleen opbouwdeel flexibel pensioen.nee, basisdeel flexibel pensioen vervallen in 2005javaste, éénmalige ruilvoet 0,226 per 1 januari 2007. Niet opgenomen in pensioenreglementneenee

Deelnemers die geboren zijn vanaf 1950, op 31 december 2005 en op 1 januari 2006 bij het ABP waren aangesloten en dat blijven tot  1 januari 2023 of eerder bij pensionering, hebben recht op VPL-pensioen. Gaat u van baan wisselen naar een werkgever die niet bij het ABP is aangesloten, dan verliest u alle rechten op VPL-pensioen. De premies die u daarvoor betaald hebt bent u kwijt, die gaan naar de VPL-reserve bij het ABP.

VPL-geld geen eigendom ABP

Tot slot: de door u betaalde pensioenpremies zijn juridisch eigendom van pensioenfonds ABP. Dat geldt niet voor de afgedragen VPL-premies. Die blijven exclusief en expliciet eigendom van de sociale partners (werkgevers en werknemers), ABP heeft daar geen zeggenschap over. Toezichthouder De Nederlandse Bank (DNB) heeft dat op verschillende momenten bevestigd en vastgesteld dat ABP slechts het beheer voert over de afgedragen VPL-gelden.

Belangrijke documenten

Overgangsbepaling D art 7.5 met bijlagen
Uitvoeringsovereenkomst VPL-pensioen(Financiering regeling voorwaardelijke inkoop)
DNB over VPL beheer PF
VPL-gelden vreemd vermogen
DNB brief 2012 aan pensioenfondsen over VPL